Pech

Dit is het verhaal de heer Bickes, die zijn bezoek aan de R.A.I in de jaren 50 wel in buitengewoon aardige trant vertelt en door zijn royaal gebruik van “couleur locale” er zo bijzonder echt een greep mee uit het leven van een gewone motorrijder heeft gedaan!

De laatste zaterdag van de R.A.I had ik een snipperdag genomen en vertrok ’s morgens omstreeks negen uur met een haast volle tank uit Deventer. Ik draaide stevig aan de gashandel van mijn nog nieuwe Puch S.G en om ongeveer half elf was ik al ter hoogte van het R.A.I-gebouw waar druk doende mototstallingsmannen elkaar verdrongen om op mijn troetelkind te mogen passen. Onderweg had de motor zo lekker getippeld, dat ik de man in de tot stalling ingerichte zijstraat een flinke fooi gaf om extra goed op hem te letten. Alles werd afgesloten en ik stapte het droompaleis van elke motorliefhebber binnen.

Tot een uur of drie in de middag leefde ik als in een droomwereld en vaak had ik de vertrouwelijkste gesprekken met soms wildvreemde motorminnende collega’s. Het of je elkaar al jarenlang kende, als je een aanknopingspunt had bij een ander merk, in het bijzonder bewonderde ik de nieuwe 250 cc Ariel en de Honda. Ik wist werkelijk niet dat mijn ex-bazen uit de Japanse krijgsgevangenschap zoiets moois konden maken. Verder werd ik op slag verliefd op een 350 cc Horex met zijn 24 pk en tot slot heb ik staan genieten bij de “oude hap”van 1904 tot 1919. Tegen drie uur zocht ik de Puch weer op. Het was intussen heerlijk warm weer geworden en dat maakte het afscheid nemen van al dat moois in het R.A.I-gebouw tenminste iets gemakkelijker. Al gauw zat ik op de buitenweg en klonk het vertrouwde brommende geluid in m’n oren, dat een goed ingereden en onderhouden S.G maakt als je er mee tussen de 80 en 90 km draait. Met de zon in de rug en een klein beetje zijwind dacht ik tegen vijf uur weer in m’n woonplaats te zijn tot ik op een gegeven moment, bij het inhalen van een autobus even iets tegen de 100 km kwam en daarbij een verdacht geluid meende te horen. Net alsof de motor zich even verslikte. Het was heel even,maar spoedig daarop herhaalde het zich. Ik kon nog niet vaststellen wat het was, maar op een gegeven ogenblik, ongeveer 12 km voor Apeldoorn sloeg de motor geheel af. Ik had net een auto ingehaald en reed aardig hard, zodat ik met ontkoppelde motor net een mooie parkeerplaats haalde om daar even, naar wat ik dacht een pareltje tussen de bougie ter verwijderen. Gereedschap er uit en de gloeiende bougie nagekeken, maar niets te vinden, Wel was de motor flink warm, maar dat kwam natuurlijk doordat ik nogal hard had gereden. Even de boel wat laten afkoelen, de bougie weer plaatsen, vlotteren en ja hoor, pijn Puch liep weer. Alleen petste hij af toe iets in de carburateur en hij liep wat onregelmatig. Gaat wel over dacht ik en borg het gereedschap op. Maar net wilde ik wegrijden of de motor sloeg prompt weer af. Na lang vlotteren liep hij weer, maar vervolgens weer precies hetzelfde liedje, opstappen, inschakelen, gas geven en dan afslaan als een astmatische oude heer. Wel drie of vier maal probeerde ik het opnieuw, maar ik vorderde niet meer dan een paar meter in de richting Apeldoorn. De vonkjes waren zo op het oog prima, dus het kon niet anders zin dan een benzinestoring. Aanduwen had ook al niet geholpen en derhalve zou er weinig anders over blijven dan de carburateur uit elkaar te halen.

Het was knap warm die zaterdagmiddag en bovendien kwam er al dat getrap en geduw nog bij, zodat ik eerst m’n leren jas afpelde, alvorens het gereedschap weer uit te pakken en de carburateur te slopen. Dat is bij de nieuwe Puch’s trouwens gauwer gezegd dan gedaan, want de gaskeuken van de S.G. zit op gesloten in een mooi plastic kastje dat heel omslachtig losgemaakt moet worden wil je er geen krassen op krijgen, en dat is wel het laatste wat ik op mijn motorfiets zou willen hebben. Dus alles voorzichtig losgeschroefd en op een schone doek gelegd. Toen d carburateur losgemaakt, vlotterkamer, hoofdsproeier, enfin alles werd grondig nagekeken en gepoetst, maar er was niets anders te vinden dan heldere benzine. Daarna de zaak weer in elkaar gezet en gauw even proberen. Goed vlotteren en ja hoor, na de eerste trap liep hij weer, om echter al heel snel met een onmachtige zucht weer op te houden. Onderhand was het met al dat gemodder echter al over zessen geworden en een beetje schemerig, zodat het me met het oog op het drukke verkeer veiliger leek om dat aanduwen maar op het rijwielpad te doen.

Ik had intussen bezoek gehad van de wegenwacht die me echter niet kon of durfde helpen, omdat ik geen lid ben en omdat zijn baas elk ogenblik langs kon komen. Die kwam ook inderdaad gauw en beiden hielpen braaf meeduwen. Dat was erg sympathiek en deze gezamenlijkee krachtsinspanning bracht de Puch tot rede, want na 20 meter bromde hij er weer op los en alles leek o.k. Welgemoed pakte ik het gereedschap weer in, trok jas aan en zette helm op, ondertussen berekenend,dat ik nu zo ongeveer om half acht thuis zou kunnen zijn.

Maar ook dit malle geval dreigt eentonig e worden door de hardnekkigheid van de kwaal. Ik had nog geen drie kilometer gereden of het werd weer angstig stil onder me. In m’n onschuld dacht ik dat nu voor de variatie eens heel gewoon de benzine op zou kunnen zijn en ik schakelde dus over op reserve, maar nu begon de ellende pas goed. De Puch prevelde nog drie keer zacht z’n naam en deed toen helemaal niets meer, hoezeer ik me ook in het zweet liep e duwen. Het was nog een aardig stukje tot een parkeerplaats en bovendien zat ik net aan de verkeerde kant van een heuvel, zodat m’n leren jas weldra loodzwaar werd en m’n helm begon aan e voelen alsof er een zojuist uit zee opgeviste kwal op m’n hoofd lag. Daar zat ik nu, midden op de Veluwe, met niets anders dan zwijgende, sombere sparrenbomen om me heen, en slechts af en toe de lichtflits van een passerende auto.

In donker viel het helemaal niet mee om het plastic kapje van de carburateur af te peuteren. Ik heb dat geval, ofwel de aanzuiggeruisdemper, zoals het ding officieel te boek staat, dan ook meteen maar netjes in een lap gewikkeld en in de tas gestopt. Ik begon zowaar al een beetje handigheid te krijgen in het slopen van de carburateur en terwijl ik daar in mezelf zo’n beetje zat te mopperen kwam er hulp opdagen in de vorm van een motorrijder die een mede-K.N.M.V.-lid in moeilijkheden vermoedde en ongevraagd zijn hulp kwam aanbieden, in plaats van op deze zaterdagavond te maken dat hij thuis kwam. In moeilijkheden leer je je vrienden kennen en inderdaad bleek deze motorvriend ook K.N.M.V.-lid te zijn. Nadat ik me zo hopeloos eenzaam had gevoed gaf zijn komst alleen al me weer een beetje moed. De Zundapprijder richtte zijn koplamp op mijn sleutelwerk en samen hadden we, net toen de accu van de Zundapp tekenen van zwakte begon te vertonen, de zaak zover, dat de Puch weer liep, zij het dan dat ik vrijwel constant moest blijven vlotteren. Zo kon ik niet rijden en na nog eens uitgebreid krijgsraad te hebben gehouden, gebruikte ik mijn laatste restje energie om de Puch in de struiken te rijden, hem netjes op slot te doen en alle losse dingen er af te halen. Met al m’n spullen onder de arm klom ik bij de Zundappvriend achter op de buddyseat en zo kwam ik bij de Echoput, drie kilometer verder. Ik bedankte m’n redder hartelijk en achteraf drong het pas tot me door dat ik niet eens wist hoe hij heette, maar wat geeft dat eigenlijk ook. We waren toch van dezelfde club.

Via de telefoon vertelde ik m’n familie dat ze wel vast naar bed konden gaan en vervolgens liepen m’n plannen weer in het honderd, want bij mijn motorzaak kreeg ik te horen dat de baas niet thuis was en dat ik dus niet even met motor en al gehaald kon worden. Oei, dat nu te doen? Ik besloot m’n motorkleding in het cafe te laten en te voet de motor maar weer op te zoeken. Dat viel helemaal niet mee in donker, want ik had hem kennelijk goed weggestopt. Maar eindelijk had ik hem weer op het fietspad staan en eigenlijk tegen beter weten in begon ik nog maar weer eens te duwen. Ik had sinds twee uur niets meer gegeten en had door al dat geploeter toch al niet veel fut meer, maar wie schetst mijn verbazing toen het motortje meteen aansloeg en liep alsof er geen vuiltje aan de lucht of in de sproeier was geweest. Hij liep als een zonnetje en ik gaf m’n oorspronkelijke plan om hem bij de Echoput te stallen op. Gulzig slobberde de motor de Veluwse avondlucht naar binnen en in no-time waren we weer bij het cafe. Voor de zoveelste keer die dag hees ik me in m’n leren kleding en laadde de Puch op. Een trap en hij liep. Hij liep prachtig zelfs, maar nauwelijks had ik ingeschakeld of daar begon het geduvel weer. Hij sloeg zo gedecideerd af, dat wel niets meer zou kunnen helpen. In m’n wanhoop mompelde ik een of andere formule waarvan eens een ouden man in Indië me de onfeilbaarheid had verzekerd, maar de werking werd zeker te niet gedaan door het grote aantal krachtige Deventerse spreuken die ik tijdens al da gemartel al had opgezegd. Gelukkig hebben ze daar bij die Echoput vriendelijke diensters en de Puch kreeg een mooi plaatsje op de binnenplaats, waarna ik ijlings de bus pakte. Hij had dan wel een dak boven het hoofd, maar ik was in zo’n stadium dat me dat nog weinig schelen kon

Desondanks lag ik die nacht meer aan de Puch te denken dan te slapen en zondagmorgen sprong ik al weer vrij bijtijds uit de bus bij de echoput. Scheefgezakt in het grind stond hij te wachten en bij de eerste trap liep hij meteen als een tierelier! Maar ik vertrouwde hem niet erg meer en maakte eerst een proefritje van een kilometer of vijf. Maar alles bleef gezond en ik dacht, ziezo, die is voor de bakker. Jas aan, helm op, lieden bedanken, starten, inschakelen, afslaan. Opeens dacht ik aan de man in dat Malle Geval met zijn H.D. en die leren jas, die de luchttoevoer afsloot, maar een vluchtig onderzoek leerde, dat ook al had ik het plastic geval niet gemonteerd de inlaatkelk volledig vrij bleef, doordat ik op mijn jas zit. Maar ik had niet voor niets den 25 km in de bus gezeten en vastbesloten begon ik de carburateur weer te slopen. En nu had ik het duveltje bij zijn staart hoor! Bij het losmaken van de vlotterkamer kreeg ik een paar druppeltjes in de gaten, die me sterk aan water deden denken en dat ook bleken te zijn. Toen begon me een licht op te gaan en ja hoor, nadat ik alle vocht had opgevangen in een oude gieter die daar tegen het huis stond, bleek er wel een halve liter water bij te zitten, waarschijnlijk een grapje van een of andere Amsterdamse straatvlegel. Achteraf bekeken zal het dan wel zo zijn geweest, dat het water onderin de tank stond en dat er pas veel water mee kwam zodra ik de reservekraan opende en aangezien de Puch geen stoommachine is gaf dit moeilijkheden. In mijn wanhoop had ik natuurlijk van alles geprobeerd en als de andere kraan dan weer openstond kwam er weer schone benzine en door flink vlotteren werd het water dan uiteindelijk weer weggespoeld. En in het donker had ik het water niet van de benzine kunnen onderscheiden. Maar ik was in elk geval zo trots als een hond met zeven staarten, dat ik het tenslotte toch nog zelf ontdekt had. Na twee uurtje op m´n gemak sleutelen en poetsen had ik naar mijn idee alles weer behoorlijk water vrij en in elkaar zitten.

Denkt u echter nog niet, dat ik nu weer als onbezorgde motorrijder naar huis karde. In mijn vreugde over de vondst had ik natuurlijk vergeten de contactsleutel uit te trekken en de accu was nu zo dood als een pier. Aanduwen ging absoluut niet en de zoeven nog trotse hond, droop nu als een geslagen exemplaar met de bus weer af. Maandag morgen zijn we toen maar de motor met een wagen gaan ophalen, maar de clou was wel, toen hij bij de eerste trap gewoon aansloeg, omdat de accu zich kennelijk tijdens de rustperiode had hersteld! Ik was even naar de R.A.I. geweest!

Noot:

Dit prachtig geschreven verhaal heeft ooit in het blad MOTOR gestaan.

De heer Bickes is inmiddels overleden en het verhaal is speciaal voor onze website beschikbaar gesteld door zijn dochter Nancy Bickes.

Dit verhaal is copyright © Alle rechten voorbehouden.
Niets van deze online publicatie mag worden gereproduceerd op welke wijze dan ook zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van Nancy  Bickes, kontacten via Webmaster PMC